Hoe het allemaal begon

Trommelen Tweewielers Anno 1918

Als Piet Trommelen begin jaren ’50 van de vorige eeuw van zijn vader tijdens een theepauze krijgt te horen dat hij de aangewezene is om de fietsenzaak over te nemen, heeft hij het daar maar moeilijk mee. Piet is machinebankwerker en  heeft het erg naar zijn zin bij machinefabriek Bonnier Louerse in Geertruidenberg. Met tranen in zijn ogen dient hij daar omstreeks 1954 zijn ontslag in. Hoe anders is het met Piets zoon Harald. Die is helemaal klaargestoomd voor het vak, als hij in 1992 eigenaar wordt van Trommelen Tweewielers. ‘Voordat ik de zaak overnam, heb ik jaren bij pa gewerkt als reparateur en verkoper en ondertussen de benodigde opleidingen gevolgd. Ik ben eigenlijk als vanzelf in de vak gerold, ik had daar niet zo’n moeite mee’.

Vlak na de Eerste Wereldoorlog begint Haralds opa Martien Trommelen in een paardenstal aan de Bredaseweg 34 in Oosterhout een fietsenmakerbedrijfje. Het vak heeft hij geleerd tijdens zijn diensttijd in Zeeland. In 1920 trouwt Martien met Johanna Akkermans en samen krijgen ze zeven kinderen. Het is een zware tijd. Gereedschap en materiaal zijn moeilijk te verkrijgen. Martien moet het doen met oud biljard als werkbank en een stapel sigarenkistjes als magazijn.


Hij bouwt uit een stapel buizen met eigen handen fietsen verkoopt deze voor zo’n twintig gulden. Maar van deze verkoop alleen kan het gezin niet leven. Martien pakt van alles aan om geld te verdienen. Zo verkoopt hij ook rookwaar, doet laswerk en hij begint zelfs met geleend geld een taxibedrijfje. Zoon Piet herinnert zich nog verhalen uit die tijd. ‘Vader stond te werken van ’s ochtends vroeg totdat het donker werd. Er was altijd te weinig geld, dus veel werd gedaan met ruilhandel’. In de jaren ’30 gaan de zaken beter. Op de plaats van de paardenstal kan Martien een nieuw pand laten bouwen. Het gezin gaat boven de zaak wonen. Zoon Piet is een van de jongste van het gezin, waar van iedereen regelmatig meehelpt in de zaak. “Het was maar een klein paaandje hor”, vertelt Piet. “Er konden nét acht fietsen staan en boven hadden we voor zeven kinderen twee slaapkamers”.

Met de komst van de eerste bromfietsen na de oorlog gaan de zaken beter. Het blijft echter hard werken. “Er werd nog steeds met weinig geld gehandeld”, weet Piet te vertellen. “Toen ik de zaak overnam in 1959 probeerde ik bij de banken geld los te krijgen om de handel goed op poten te zetten, maar overal kreeg ik nul op het rekest”. Totdat een tante een kennis langs stuurde die wel wilde investeren. Met dat geld kon ik het bedrijfje helemaal opnieuw opzetten’. De handel in fietsen is echter seizoensgebonden, dus verkoopt Piet onder meer ook buitenboordmotoren, schaatsen en sleetjes. “Ik moest die wintermaanden zien door te komen, dat was een slechte tijd”. “Ik kan me herinneren dat ik ooit een maand heb gehad waarin ik niet dan f 7,95 heb omgezet”. Vooral de buitenboordmotoren blijken een goede handel, maar het onderhoud vergt nogal veel rompslomp en na een paar jaar stopt Piet er dan ook mee.

Vader Martien blijft ondertussen in de zaak werken. Piet:”Vader en moeder bleven boven de winkel wonen en als pa zin had, kwam hij een handje helpen. Moeder overleed op 65-jarige leeftijd. Vader leerde op zijn 80e een andere vrouw kennen en is toen gestopt met werken”.
Begin zestiger jaren specialiseert Piet zich steeds meer tot fietsen- en bromfietsenhandelaar en stopt hij met zijn nevenactiviteiten.’Het is de tijd van de roemruchte wielerploeg van Kees Pellenaars en de sportfietsen komen in zwang’. ‘Met “de Pel” heb ik altijd veel gelachen, hij kwam hier vaak. Hij was een echte scharrelaar en had altijd wel wat te koop. Zo heb ik van hem eens een partij frames gekocht voor een leuke prijs. En ook dynamo’s, die waren toen schaars. “Met hem kon de goed pannenkoeken eten…..”. Piet is in die tijd een meester in het opknappen van fietsen. ‘Het frame werd gemoffeld, de wielen kregen nieuwe spaken, een mooie doorzichtige jasbeschermer erop, een nieuwe kettingkast en een schoon vlinderstuurke en klaar was Piet. Dan zag je de klanten hier trots over de Markt rijden met hun “nieuwe” fiets!’

In 1970 wordt er flink verbouwd. De winkel wordt uitgebreid en omgetoverd tot showroom. Achter de winkel verschijnt een nieuwe werkplaats. Opa Martien gaat bij zijn nieuwe vrouw wonen en zo kan de boven woning ook bij de zaak getrokken worden. ‘We werden in een klap de grootste fietsenzaak van Oosterhout’, vertelt Piet. Én we konden extra personeel aannemen.

Ik werkte al vanaf het begin met Jan Stultjens. Jantje is voor mij een soort broer, van hem kan ik altijd op aan. Hij werkt nog steeds bij ons’.
Ondertussen neemt de verkoop van fietsen een grote vlucht, vooral het race segment groeit hard. Ook worden er steeds meer brommers verkocht. ‘Maar dat was na 1990 wel over’, blikt zoon Harald terug. ‘Toen ik in 1985 in de zaak kwam, liep het nog wel, maar bij de overname in 1992 zat de klad er al een beetje in. Met de komst van de scooter hebben we nog een kleine opleving gehad, maar in 2003 zijn we er helemaal mee gestopt en hebben toen onder meer flink geïnvesteerd in het mountainbike segment’. Inmiddels was de winkel verhuisd naar de Bredaseweg 41, een voormalige autoshowroom. Door de technische ontwikkelingen, zoals het gebruik van andere materialen en steeds betere versnellingsmechanieken, waren de fietsen steeds beter geworden. Er is ook veel meer keus. Harald: ‘De fiets is niet meer alleen een gewoon vervoermiddel. Vroeger verkochten we alleen degelijke Hollandse fietsen met superieur lak- en chroomwerk. Nu moet een fiets vooral licht zijn, een mooie kleur hebben en veel versnellingen. De fiets wordt veel meer gebruikt voor sport en recreatie. Er is meer vrije tijd en tegenwoordig gaan ook veel ouderen weer fietsen’.

Volg ons op Facebook om op de hoogte te blijven van nieuws en acties.